In 1997 trad ik
voor het eerst op op Lowlands. Ik schreef daarover een stuk
dat op 15 augustus 1998 in Het Parool verscheen. De versie
hiernaast is de niet-ingekorte versie 'Lowlands on dope',
zoals origineel ingezonden.
Lowlands
Backstage
Ik weet niet waar ik meer een hekel aan heb: aan
live-optredens, aan piercings, aan kamperen, aan mensen die
nadrukkelijk laten weten dat ze nu, op dit moment op drugs
draaien, of aan Engelse titels boven Nederlandse teksten.
En dan toch rondlopen op 'A Campingflight to Lowlands
Paradise' met paddo's achter mijn kiezen en een verzaligde
glimlach op mijn bek. Maar de tent heb ik thuisgelaten.
Een debuterend romanschrijver denkt dat alles goed is voor
de verkoop van zijn boek. Dus toen ik vlak na het
verschijnen van De gemonteerde vrouw uitgenodigd werd op
Lowland's 1997 te komen optreden zette ik me gedachteloos
over mijn festivalweerzin heen – dertigduizend
stonede jongeren in tenten die wegdrijven door overlopende
plees en daarna wegregenen, dat was de afschrikwekkende
samenvatting die ik altijd had gehoord. En noem me maar een
idealist, maar ik vind dat schrijvers niet in
gesubsidieerde literaire tijdschriften moeten publiceren,
of voorlezen in bedompte werfkelders en zaaltjes. In de
krant, in de VPRO-gids, in de Viva met die verhalen. Naar
cafés, Tivoli en voetbalstadions met die schrijvers. Er is
kritiek in overvloed op Ronald Giphart omdat zijn gezicht
en werk overal lijken te verschijnen, maar hij heeft meer
mensen aan het lezen gekregen dan Michaël Zeeman.
Toch, als je op een bloedhete zaterdagmiddag in augustus in
de enorme Foxtrot-tent staat, redelijk goed gevuld met
verveelde festivalgangers die wachten op de mega-acts van
die avond, dan kun je nog zoveel idealen hebben over de
verspreiding van het leesgenot en het idee dat jij zinvolle
en originele kanttekeningen bij de wereld maakt: als je de
aandacht niet weet vast te houden lopen de mensen weg. Als
je geluk hebt.
De organisatie heeft ervoor gekozen de schrijvers te laten
aankondigen door De Nachtzusters. In de melige sfeer die
daardoor ontstaat is het heel moeilijk je neutraal te
presenteren. Om beurten komen de uitgenodigde schrijvers
uit de tent wankelen. Abdelkader Benali, Mustafa Stitou,
Tommy Wieringa, Arjan Witte, ik. En ik weiger aan te nemen
dat we allemaal alleen maar zweten door de hitte. Gelukkig
hebben we allemaal onze manier gevonden om het publiek
eronder te krijgen. Arjan rapt ze klein. Tommy kijkt een
lastpost dreigend dood. Abdelkader fluistert bezwerend en
ik gooi honderd boeken in het publiek. In de chaos die dat
oplevert verdwijnt het boegeroep dat na het voorlezen van
mijn anti-piercing en -tatoeagecolumn hardnekkig bleef
klinken.
'Backstage I'm lonely, backstage I cry,' zong Gene Pitney
in een van zijn edelkitschnummers, maar als we met zijn
allen backstage staan weten we dat we gevochten hebben en
gewonnen. Een geslaagd optreden zorgt voor een kick door de
adrenaline en endorfinen in je bloed. De keren dat ik na
een geslaagd optreden geïnterviewd ben heb ik dan ook
altijd de onzinnigste dingen gezegd.
Om ons heen lopen mannen van de crew en van de security.
Terwijl we om beurten voor bier naar de koelkast lopen die
ons is toegewezen en een zak nootjes laten rondgaan weten
we: dit is het leven. We besluiten dat de beste schrijvers
van dit moment Utrechters en Marokkanen zijn. We praten met
Willem Venema en Louis Behre als gelijken. We zien Dolf
Janssen in zijn onderbroek. Een bevrijdende lichtheid komt
over ons heen. Onze taak is volbracht. Wij zullen niet
huilen. Wij hebben een backstagepas. Dit is rock 'n roll.
Op het festivalterrein zelf wil dat rock 'n roll-gevoel
niet meer lukken. De enkele honderden bezoekers van de
Foxtrot-tent die ons toejuichten zijn allang opgelost in de
tienduizenden. En vanaf nu zijn wij dat ook:
festivalbezoekers. Mijn enige festivalervaring tot dan toe
is Torhout-Werchter in 1984. Wat ik eigenlijk altijd al
wist werd daar bevestigd: ik kan me niet laten meeslepen.
Er is ooit een foto van mij gemaakt tijdens een optreden
van Fay Lovski. De hele zaal staat uitzinnig zwetend te
juichen en ik sta daartussen, stokstijf, armen over elkaar,
een beleefde glimlach op mijn mond alsof ik denk: 'Aardig
moppie muziek.' Ik zou best willen dat ik het kon, meedoen.
Maar ik kan het niet. Ik ben immuun voor massa.
En zo loop ik, met het bovenste knoopje van mijn overhemd
open, camera rond een schouder een beetje stijfjes rond
tussen de ranke meisjes en de strakke jongens in blote
t-shirts, zodat je her en der de tatoeages en piercings
goed kunt zien. Wat voegt het toch in hemelsnaam toe, vraag
ik me af. Ben ik dan echt zo'n ouwe lul dat ik die body-art
niet begrijp? Misschien is het dat, want ik heb het gevoel
dat ik alleen met mijn 36 jaar al de gemiddelde leeftijd
meetbaar omhoog trek. Als we een uurtje hebben rondgelopen
merk ik dat niemand daar moeite mee heeft. Er is voor
Lowlands een halve stad opgericht met restaurants,
doorgangswegen, zijstraten, pleinen en een supermarkt, maar
eigenlijk is het één groot ontspannen terras. Ik ben
overgebleven met Tommy, die ook nog in een band speelt, en
met Rens, habitué op premières, recepties, vernissages en
slotfeesten van culturele, artistieke en cinematografische
aard. En mijn gastenlijst. Deze twee sleuren me langzaam
maar zeker mee in de typische rielekste levenshouding die
je op een popfestival hoort te hebben. Het zal mijn natural
high wel zijn dat het lukt.
Rondlopen en een beetje kijken, meer hoeft voor mij niet.
En zo drentelen we langs alle tenten, langs de restaurants
en af en toe heb ik het idee dat ik gewoon in Utrecht ben,
zoveel bekende gezichten zie ik. En al zwervend komen we
bij de Bravo-tent uit. Het belangrijkste is het er te zijn.
Naar bands gaan kijken is een tweede.
Toen ik nog heel klein was heb ik Rob de Nijs eens zien
optreden tijdens het bloemencorso van Zundert. Rob liet
voortdurend nadrukkelijk weten dat hij Echt Zong door zijn
teksten te doorspekken met uitroepen als 'Yeah' en 'Oe' en
door af en toe flink uit te halen. God, wat had ik daar als
jongetje al een hekel aan. Het is nooit meer overgegaan:
live-optredens zijn niet aan mij besteed. Er zijn weinig
groepen die live kunnen waarmaken wat op cd staat. Ik hoor
mijn nummers niet zoals ik ze gewend ben. Het mooiste
compliment is geloof ik 'dat het net als op de plaat
klonk'. Zet dan een plaat op, gek. Misschien komt ook
doordat ik me niet kan laten meeslepen.
Maar als we de Bravotent binnenlopen krijg ik een stomp in
mijn maag. Letterlijk en figuurlijk. De bassen laten mijn
darmen vibreren en ik voel iets wat ik lang geleden voelde
toen ik voor het eerst een plaat van Tuxedomoon hoorde: ik
ben fan. Dit is volkomen nieuw voor me: het is hard, het is
swingend, het is zwart, het is Joy Division on acid. Het is
symfonische house, ik kan er geen woorden voor vinden. Het
zijn de Lo Fidelity Allstars vertelt Rens. Ik ben even van
mijn a propos: ik heb al die tijd braaf met mijn armen over
elkaar gestaan, maar mijn voet heeft op het ritme
meebewogen.
Ik moet het toegeven: ik begin het leuk te vinden op
Lowlands en als Rens dan voorstelt om paddo's te nemen,
stem ik toe. Schrijvers moeten immers openstaan voor alles.
Aldous Huxley deed het ook. Hé, ik vind het hier leuk. Ik
heb geen talent voor verslaving. Drank of drugs, ik blijf
altijd dezelfde, ik versterk alleen maar wie ik ben en hoe
ik me voel. Dus het kost me weinig moeite de muntjes die
gekregen heb voor een maaltijd in te wisselen voor drie
gedroogde paddestoelen. Terwijl ik ze uitvoerig sta te
kauwen, zoals dokter Rens het voorschreef, kijk ik hoe een
keurig meisje, wit minirokje, angora truitje, zo te zien
recht uit Blaricum hierheen gekomen te twijfelen of ze er
wel of niet aan zal beginnen. Ze doet het.
Tommy doet niet mee. Hij gaat op zoek naar xtc, wat nog een
hele opgave zal worden omdat er sterk op drugs wordt
gecontroleerd.
Rens, die meer ervaring heeft met paddo's, zal me in de
gaten houden. Dat blijkt overbodig. De paddo's werken niet
bij me. Er gebeurt helemaal niets en daarom gaan we
wandelen. Al na een paar passen raken mijn voeten de grond
niet meer. Dat is niet erg, want de grond is vies en zo
worden mijn schoenen niet modderig. Maar mijn voeten zijn
heel ver weg. 'Hé, Rens,' zeg ik. Ik hou zoveel van hem,
ook al is het een moeilijke jongen in de omgang. 'Laten we
backstage gaan,' zeg ik en een nanoseconde later zijn we
backstage maar daar is het niet leuk en we gaan in de
Foxtrot-tent waar de Easy Aloha's ik ga zitten de muziek
verschijnt op mijn ogen als ik ze dichtdoe soms is de
muziek rood met zilveren sterren dan weer grijsblauw met
gouden cirkels rond de pupillen zo mooi en als ik boven in
de tent Rens op de dansvloer die mooie vrouw naast hem ik
gaan dansen haha warm dorst. Het is helemaal geen vrouw.
Het is een jongen.
Als ik erg dronken ben val ik meestal van mijn kruk af. Het
rare is dat ik weet dat ik van mijn kruk zal vallen als ik
te ver achterover ga leunen en dan ga ik het doen ook.
Terwijl ik de vloer dichterbij zie komen vraag ik me af
waarom ik mezelf niet heb tegengehouden. Ik heb het nu
weer. Een deel van mijn geest blijft helder en nuchter en
spreekt de rest toe: 'Je stelt je aan Jack. Doe maar
normaal.' En dan zeg ik tegen mezelf: 'Hou me dan tegen.
Zorg dan dat ik mezelf niet belachelijk maak. Je hoeft
alleen maar STOP te zeggen en dan hou ik op.' Maar dat
gebeurt niet. Ik sta op de dansvloer. Rens lacht naar me en
zegt dat we naar de Bravotent moeten, die is nu house-tent.
Als we de Alphatent naderen is het concert van Skunk
Anansie net afgelopen. Duizenden mensen staan doodstil,
terwijl Rens en ik door hen heen waden. Ik heb nog nooit
zoiets vreemds meegemaakt. 'Wauw,' zeggen we tegen elkaar,
'wauw'.
Ik voel me als Dennis Hopper in Apocalypse Now, ik moet me
inhouden om niet 'The colors' te gaan zeggen. Hopper was in
die tijd echt een junk. In Heart of Darkness werd hij
geïnterviewd en hij praatte op een verwarde jankerige toon,
zeikerig, met dat aangeleerde idioom en ik merk dat ook zo
begin te praten, ik praat als Dennis Hopper in Heart of
Darkness en ik wil niet in Dennis Hopper veranderen en
voortdurend 'Wauw' zeggen. De trip is helaas na vijf
minuten in de housetent voorbij, ook al beweert Rens dat we
daar een uur hebben gestaan. Ik koop nog een extra portie,
maar zoals voorspeld heeft het geen effect meer. Deze keer
echt.
Achter de Foxtrot-tent wordt het later steeds leuker. De
Easy Aloha's hebben hier hun kampement opgeslagen en hun
gastenlijst is indrukwekkend. De dames V.I.E.W.masters,
vormgevers te Utrecht zijn compleet en nog meer, nog veel
meer mensen. We zien een bonte stoet van artiesten
voorbijkomen. Een gospelgroep, een brulkoor,
reuzenkabouters. Als ik een drilpudding met
afstandsbediening zie denk ik dat de paddo's weer beginnen
te werken...
De security wordt gek van ons, de hele tijd lopen we in en
uit. We zijn allemaal volwassen mensen, maar als kinderen
plunderen we de koelkast van de artiesten die aan het
optreden zijn. In 1992 heb ik voorgelezen op 'de Nacht van
de Columnist', waar de verzamelde columnisten in de
artiestenfoyer, inclusief de redactie van Propria Cures,
hun scherpte hadden teruggebracht tot één vraag: 'Heb jíj
nog bonnen?' Zoiets.
Als we uiteindelijk gedwongen zijn ons bier te kópen,
besluiten we de danstenten af te gaan lopen. Sinds de
entree van de house in Nederland dans ik niet meer en de
V.I.E.W.masters zien het als hun heilige taak daar
verandering in te brengen. Dat lukt ze natuurlijk niet.
Omdat de meeste bands uitgespeeld zijn en de muziek uit
moet, beginnen we aan een uitgebreide kroegentocht langs de
tenten. De paddo's hebben namelijk een opwekkende werking.
Ik wil nog helemaal niet gaan slapen. Daarbij heb ik geen
tent. Als we het terrein afgejaagd worden zegt een meisje
dat ze me die middag heeft zien optreden. In een opwelling
zeg ik: 'Is er nog plaats in jouw tent?' Ze glimlacht. 'We
hebben een zespersoonstent. Je kunt er wel bij.' Bij het 24
uurs café wachten we op de rest van haar gezelschap. Als ik
even rondkijk zie ik Tommy weer, die eindelijk xtc gescoord
heeft. Met arendsblik en strakke kaken kijkt hij over de
menigte. 'Het leven is een rijk gevulde koek,' zegt hij
tevreden als ik vraag waar hij al die tijd was.
We gaan samen pissen in het slootje naast het café. Ik loop
de rij voorbij en loop dieper de bosjes in. Als ik
opgelucht mijn rits open en het mijne toevoeg aan de sloot,
zie ik dat tegenover me een meisje keurig verscholen in de
bosjes zit, maar vergeten heeft dat er iemand tegenover
haar kon komen te staan. Ze plast in een boogje. We kijken
elkaar even aan. Het geeft allemaal niets.
Tommy heeft bier gehaald. We keuvelen met bekenden en lopen
eens een rondje. 'Ik sla deze nacht over,' zegt Tommy en
dan herinner ik me opeens de tent waarin ruimte voor mij
gemaakt zou worden. Maar het is te laat. Het meisje is weg.
Gejaagd loop ik heen en weer, tot Tommy een arm rond mijn
schouder legt en voorstelt om op zoek te gaan naar een
zespersoonstent op de camping.
Als je in het 24 uurs café staat zou je inderdaad denken
dat iedereen op Lowlands aan de drugs is. De pupillen staan
allemaal wijd open, maar als we het café achter ons laten
en het kampeerterrein oplopen, heerst er een zoete stilte.
95% van de bezoekers ligt braaf in de tent. Het is net geen
volle maan. Her en der branden kaarsjes, kleine groepjes
praten zacht met elkaar.
Tommy is in zijn element. We struinen tussen de tenten
door. Overal staan tenten. Zelfs in de bermen. 'Dag
bloemenkinderen,' zegt hij een groepje dat zacht zit te
keuvelen. Een onverwachte uitspraak van iemand die een
kaalgeschoren kop heeft en soms een lange leren jas draagt,
maar hij heeft thuis een foto van zichzelf op een prikbord
als hippiekind, met het vredesteken op zijn wang
getekend.De vwo-scholieren bieden ons een glas wijn aan en
vragen geïnteresseerd wat voor een raar bandje dat is dat
we rond onze pols hebben. 'Wij zijn artistenvolk,' zegt
Tommy, maar niemand van hen kent ons, niemand is naar de
Foxtrot-tent gekomen. Maar voor ik het weet citeert iemand
gedichten van Slauerhoff. Allemachtig, ik heb twee boeken
geschreven en ik ben niet eens in staat mijn eigen werk uit
mijn hoofd voor te lezen, laat staan dat van een ander.
Komt wel goed met die ontlezing.
Af en toe komt Rens voorbijrijden, hij is aan het joyriden
op een golfkarretje van de security en geeft iedereen die
maar wil (vooral vrouwen) een lift. Of zijn het de paddo's
die me parten spelen?
Als de zon weer opkomt lopen we terug naar het café. We
hebben het meisje niet meer gevonden, maar wat maakt het
uit? Door de uitgestelde vermoeidheid lijkt het alsof we in
slow-motion lopen. We begroeten mensen die hun tanden
poetsen. Het is zeven uur geweest, de eersten staan alweer
op. Wij gaan gewoon niet slapen. Iedereen is te aardig. Het
is veel te gezellig.
'Hei,' zegt een jongen tegen me. 'Was jeej da? die da
stukje? over piercings? voorgelezen heef?' Ha! Een fan,
denk ik, maar in plaats daarvan begint hij een enorme
tirade tegen mij. Hij weet van geen ophouden 'Ik vand hat
geen stjijl?' zegt de jongen, die drie ringen door zijn
linkeroor heeft. Hij is oprecht verontwaardigd en normaal
zou ik me door hem geïntimideerd voelen, met zijn brede
borstkas en gespierde armen, maar verbale agressie wil in
het Limburgs maar niet angstaanjagend worden. Daarbij heb
ik een aanval van flux de bouche
en is Tommy groter
dan hij.
Als hij afdruipt vinden Tommy en ik dat dit glorieuze
moment vastgelegd moet worden. Voor ons staat een meisje
onvermoeibaar te dansen, haar honingblonde krullen dansend
boven een innemende glimlach. Ze draagt haar nauwsluitende,
enkellange jurk met pantermotief als een tweede huid. Tommy
pakt mijn camera en vraagt of ze een foto van ons wil
maken. Ze knikt lief en loopt met het toestel een stukje
naar achteren. Ik zie dat ze hem rechtop houdt en roep: 'Je
moet een liggende foto maken.'
Ze luistert en gaat languit in de modder liggen.
Bookmark: ...